Heeft de geschiedenis enige richting?

geschiedenis

Filosofen hebben vragen gesteld over de betekenis en de structuur van de totaliteit van de menselijke geschiedenis. Sommige filosofen hebben een zoektocht ondernomen om een groot organisatiethema te ontdekken, anderen hebben gezocht naar een bepaalde betekenis of richting. Dit gebeurd soms in de vorm van een verhandeling die moet aantonen hoe alle gebeurtenissen door de tijd heen de verwezenlijking van een Goddelijk plan zijn, dat er sprake van een groot patroon is (cyclisch, teleologisch of progressief), of waarin een centraal thema uitgespeeld wordt, zoals Hegel’s conceptie van de geschiedenis als de ontplooiing van de menselijke vrijheid. In elk van deze gevallen bestaat de ambitie aan te tonen dat het ogenschijnlijk contingente en arbitraire karakter van historische gebeurtenissen gerelateerd kan worden aan een onderliggend doel of een bepaalde orde.

Deze benadering is te beschrijven als hermeneutisch, maar legt eerder de nadruk op interpretatie van grote historische gebeurtenissen dan op individuele betekenissen en acties. Feitelijk wordt in deze benadering de gehele geschiedenis behandeld als een gecompliceerde, verweven tekst waarin de interpretator betekenissen toekent aan sommige elementen van het verhaal om zo deze elementen een plaats te geven binnen grotere thema’s en motieven.

Een terugkerende stroming in deze benadering van de filosofie van de geschiedenis valt binnen het gebied van de theodicee of eschatologie: religieus geïnspireerde pogingen om betekenis en structuur in de geschiedenis te vinden door verleden en heden aan een of ander specifiek Goddelijk plan te koppelen. Theologen en religieuze denkers hebben gepoogd betekenis te vinden in historische gebeurtenissen die expressies zouden zijn van Goddelijke wil. Een reden voor theologische belangstelling in deze vraag is het probleem van het Kwaad, zo tracht Leibniz’ theodicee te voorzien in een logische interpretatie van de geschiedenis die de tragedies van de geschiedenis verenigbaar maakt met een alom aanwezige Goddelijke wil (1709). In de twintigste eeuw hebben theologen als Maritain, Rust en Dawson systematisch pogingen gedaan om te komen tot een Christelijke interpretatie van de geschiedenis.

Verlichte denkers hebben de religieuze interpretatie van de geschiedenis verworpen maar brachten een eigen teleologie in, het idee van vooruitgang, het idee dat de mensheid zich beweegt in de richting van betere en perfectere samenlevingen, en dat men van deze vooruitgang getuige kan zijn door de bestudering van de geschiedenis van beschaving. Vico’s filosofie van de geschiedenis probeert een aantal fundamentele series van stappen in de menselijke beschaving te identificeren. Verschillende beschavingen leggen dezelfde weg af, omdat de menselijke natuur door de geschiedenis heen onveranderd blijft. Rousseau en Kant hebben enkele van deze aannames betreffende rationaliteit en vooruitgang verwerkt in hun politieke filosofieën, en Adam Smith belichaamd wat van dit optimisme over de progressieve effecten van rationaliteit in zijn werk over de totstandkoming van het moderne Europese economische systeem. Deze poging om een aantal vaste trappen van ontwikkeling af te leiden als een manier van interpretatie wordt door de achttiende en negentiende eeuw herhaald, uitdrukkingen ervan komt men tegen bij Hegel, en ook bij Marx’ materialistische theorie van de ontwikkeling van economische wijzen van productie.
De pogingen om richting of trappen te ontwaren in de geschiedenis vonden een nieuwe uitdrukking in de vroege twintigste eeuw, in de handen van verscheidene “metageschiedkundigen” welke poogden te voorzien in een macro-interpretatie die orde aan zou brengen in de wereldgeschiedenis, zoals Spengler, Toynbee en Lattimore. Deze auteurs boden een lezing van de wereldgeschiedenis in termen van de opkomst en ondergang van beschavingen, rassen of culturen. Hun geschriften waren niet in de eerste plaats geïnspireerd door filosofische of theologische theorieën, maar waren ook geen werken van primair geschiedkundige academici. Spengler en Toynbee portreteerde de menselijke geschiedenis als coherent proces waarin beschavingen verschillende fasen van jeugd, volwassenheid en ouderdom doorlopen. Wittfogel en Lattimore interpreteerde Aziatische beschavingen in termen van grote bepalende factoren. Wittfogel Spiegelt China’s geschiedenis aan die van Europa door de Chinese beschaving te karakteriseren als een van “hydraulisch despotisme”, met de aanwezige consequentie dat China’s geschiedenis cyclisch was en niet één bepaalde richting had. Lattimore past de sleutel van geografisch en ecologisch determinisme toe op de ontwikkeling van de Aziatische beschaving.

Een legitieme kritiek van de vele pogingen om een interpretatie te bieden van de hele geschiedenis is het punt dat naar betekenis wordt gezocht daar waar die niet kan bestaan. Interpretatie van individuele acties en levensgeschiedenissen is inteligibel, omdat we onze attributies van betekenis een fundament kunnen geven in een theorie van de individuele persoon als zijnde iemand die betekenissen bezit en creëert. Maar er is geen super-agent die achter historische gebeurtenissen ligt, en zodoende is het een categorische vergissing om te proberen een betekenis te vinden voor de verschijnselen van die gebeurtenis. De theologische benadering denkt aan zulke kritiek te kunnen ontkomen door God een zeker agentschap toe te kennen als de auteur van de geschiedenis, maar de aanname daar is dat er een Goddelijke auteur van de geschiedenis is, en die aanname neemt het maken van geschiedenis uit handen van de mensheid.

Pogingen om grote fasen in de geschiedenis te ontwaren, zoals die van Vico, Spengler of Toynbee zijn kwetsbaar voor een andere kritiek gebaseerd op hun mono-causale interpretaties van de volle complexiteit van de menselijke geschiedenis. De auteurs pikken een factor uit waarvan gedacht wordt dat die de motor van de geschiedenis is: een universele menselijke natuur (Vico), een gemeenschappelijke verzameling van uitdagingen voor beschavingen (Spengler, Toynbee). Maar hun hypotheses moeten geëvalueerd worden op basis van empirisch bewijs. En het bewijs van de grote eigenschappen van historische verandering in de afgelopen drie millennia biedt weinig ondersteuning aan het idee dat er een bepaald proces van ontwikkeling van beschavingen is. In plaats daarvan lijkt de menselijke geschiedenis op virtueel elke schaal een grote graad van contingentie en meerdere te bewandelen wegen van ontwikkeling te belichamen. Hiermee bedoeld niet te worden gezegd dat er geen geloofwaardige “grote historische” interpretaties beschikbaar zijn over de menselijke geschiedenis en maatschappij. Zo bieden Michael Mann’s sociologie van vroege agrarische beschavingen (1986) en De Vries en Goudsblom’s globale klimaatgeschiedenis (2002) voorbeelden van academici die belangrijke delen van de menselijke geschiedenis proberen te verklaren op basis van een aantal gemeenschappelijke menselijke omstandigheden: De moeite die staten zich getroosten om opbrengsten binnen te halen en de behoefte van menselijke maatschappijen om natuurlijke hulpbronnen te exploiteren.

De uitdaging voor ons als wij kijken naar de geschiedenis is om de grote hypotheses die opgeworpen worden aan empirische evaluatie te onderwerpen. Zowel links als rechts in het politieke spectrum worden aannames gedaan over het verloop van de geschiedenis, en hierbij is het over het algemeen niet duidelijk waar de scheidslijn ligt tussen een desriptieve en een presciptieve uiteenzetting van feiten.
Kortom, de richting van de geschiedenis is misschien wel objectief te beschrijven, maar die richting wordt ingezet door menselijk denken en menselijk handelen. De historische opkomst of ondergang van een volk of een beschaving begint niet als waarneembaar feit, maar als een denken dat mensen in zo'n mate internaliseren dat hun handelen hier -bewust of onbewust- mee in overeenstemming zal zijn.

Share

One Response

  • Goed artikel, en ik begrijp je kritiek op hypothesen die mensen als Spengler hebben bedacht. Maar als we bepaalde filosofiche gedachten over de geschiedenis aan empirische toetsing onderwerpen zullen we altijd tot de conclusie komen dat de hypothesen ofwel niet falsifieebraar zijn opgesteld, ofwel dat ze te falsificeren zijn. Als we een dergelijk strenge maatstaf hanteren gaan we voorbij aan het feit dat geschiedenis niet een exacte wetenschap is en gooien we mogelijk veel nuttige hypothesen weg omdat er situaties zijn waarin zij niet (helemaal) bleken te kloppen. Vico, Spengler et al geven ons in ieder geval handvatten om iets te leren van de geschiedenis en e.e.a. in context te plaatsen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.