Normen en waarden in moderne politiek

Normen en waarden in politiek

In Nederland wordt in politieke discussies vaak gewag gemaakt van normen en waarden. Jan-Peter Balkenende gaf hier begin eenentwintigste eeuw als toenmalig minister-president het startschot voor. Veel politici hebben zich in navolging van de heer Balkenende in de discussie over normen en waarden gemengd. Uiteraard geven politici verschillende invulling aan de brede noemer "normen en waarden".

De meest genoemde koepelbegrippen omtrent normen en waarden zijn: "joods-christelijke  waarden" en de "waarden van de verlichting". Beide koepelbegrippen zeggen hetzelfde over de degene die er een beroep op doet: het is iemand zonder sterk moreel karakter. Er bestaan namelijk helemaal geen  "joods-christelijke waarden". Er bestaan joodse waarden, en er bestaan christelijke waarden. En deze zijn niet hetzelfde aangezien het jodendom uitgaat van een kleinzerige en wraakzuchtige god, en het christendom uitgaat van een god die met elke stakker medelijden heeft (en hem vervolgens toch laat branden in de hel). Met de "waarden van de verlichting" is nog minder duidelijk wat bedoeld wordt. Want in het tijdsvak dat we gewoonlijk aanmerken als dat van de verlichting ontstonden uiteenlopende ideeen als militairisme, absolutisme, rechtsstatelijkheid, rede, de wetenschappelijke methode, kolonialisme, moderne democratie en ga zo maar door. Waarschijnlijk wordt ook niet gedoeld op heksenverbrandingen als men spreekt over de "waarden van de verlichting" (jazeker, heksenverbrandingen kwamen met name in de tijd van de verlichting voor, en niet, zoals meestal wordt gedacht, tijdens de middeleeuwen)

Nu kunnen we het pad van kritiek op de normen en waarden van onze politici gaan bewandelen, en daar is zeker een tijd en een plaats voor. Maar die is niet nu en die is niet voor ons. Politici zijn uitstekend in staat om kritiek op de normen en waarden  van de tegenpartij te hebben. Waar ze minder goed toe in staat zijn, en waar het ons nu om te doen is, is dat onze politici niet of nauwelijksin staat zijn om concreet te maken welke waarden zij huldigen, en hoe zij deze (willen) vertalen naar normen. De politicus wil goed zijn, of in ieder geval als goed overkomen, maar duidelijk stelling nemen is een probleem in onze tijd. Want voor hij het doorheeft, heeft onze welbedoelende politicus een deel van het electoraat van zich vervreemdt. En dat kunnen we niet hebben.

Uiteindelijk is er maar 1 duidelijke norm voor de moderne politicus, en dat is cliëntelisme. Het moge een cliëntelisme zijn dat minder simpel is dan dat van vroeger tijden, maar cliëntelisme is het desalniettemin. De politicus verkrijgt zijn plaats in de politieke arena slechts door de particuliere belangen te behartigen van hen die hem zijn plaats in de arena geven. Dat kan het electoraat zijn, dat kan de ambtenarij zijn, dat kan de politieke partij zelf zijn, het doet er niet toe. Het punt is dat er een particulier belang wordt gediend, niet het belang van de natie, en al helemaal niet de waarheid. Terwijl politiek om niets anders zou moeten gaan dan om waarheid.

De waarde die alle politici zouden moeten nastreven is waarheid. Waarheid die hun eigen belangen overstijgt. Waarheid die de belangen van hun electoraat overstijgt. En we zien vandaag de dag steeds duidelijker dat er niets dan onwaarheid wordt verkondigt door onze volksvertegenwoordigers. Maar er komt een keerpunt, het einde van een cyclus zal een nieuw begin inluiden.

 

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.