Pleidooi voor eugenetica

pleidooi oor eugenetica

Introductie

Eugenetica houdt zich bezig met het onderzoek naar menselijke evolutie. Er zijn duizenden artikelen over het onderwerp gepubliceerd in wetenschappelijke tijdschriften, tonnen zand zijn verplaatst met kleine kwastjes in de zoektocht naar schedels, enorme bedragen aan onderzoekssubsidies zijn verstrekt aan onderzoekers, en vele carrières zijn volledig besteed aan het onderzoeken hoe we grotere hersens hebben ontwikkeld en uiteindelijk de homo sapiens zijn geworden die we vandaag de dag zijn. En dit is op zich een fascinerende bezigheid, een leuke tijdsbesteding. Maar hetgeen urgent is, de vraag die misschien wel de meest belangrijke is voor onze soort: hoe ontwikkelen mensen zich momenteel? Ontwikkelen we ons in wenselijke richting? Of in een onwenselijke richting?

Natuurlijke selectie is tot op grote hoogte verdwenen in grote delen van de wereld, maar dat wil niet zeggen dat evolutionaire processen stil staan, de menselijke reproductie is verre van willekeurig. Net zoals de geschiedenis altijd doorgaat, in zowel oorlog als in vredestijd, zo is het ook met evolutie. Reproductieve patronen van iedere generatie vormen het aangeboren karakter van volgende generaties, of dit nu ten goede of ten kwade is.

De meeste van ons willen onze kinderen net zoveel geven als onze ouders ons gaven, en als het even kan nog meer. We willen dat ze de best mogelijke opleiding hebben, en elk ander voordeel dat we ons kunnen veroorloven. We hopen ook dat we hen een betere wereld kunnen nalaten dan de wereld waarin we zelf zijn geboren. Maar, het belangrijkste dat we onze kinderen kunnen geven is hun eigen biologische integriteit: een goede gezondheid, hoge intelligentie en een nobel karakter. Deze eigenschappen zijn van groot belang voor hun eigen geluk en welzijn. Op macroniveau stellen deze eigenschappen een bevolking in staat om een hoogontwikkelde samenleving in stand te houden, wat het grootste goed voor mensen is, aangezien zonder beschaving de chaos regeert en lijden de norm is.

Het pleidooi voor toepassing van eugenetica kent in ieder geval vijf argumenten:
1. Menselijke intelligentie is grotendeels erfelijk;
2. Beschaving is afhankelijk van aangeboren intelligentie. Zonder intelligentie is een beschaafde samenleving niet mogelijk;
3. Hoe hoogstaander de beschaving, hoe groter het welzijn van de bevolking;
4. Momenteel evolueren we om elke generatie minder intelligent te worden. Waarom gebeurd dit? Simpel: de minst intelligente mensen krijgen de meeste kinderen.
5. Tenzij we de huidige trend een halt toeroepen zal onze beschaving onvermijdelijk in verval raken. Het verval van onze beschaving zal gepaard gaan met toenemende ellende voor het volk.

1. menselijke intelligentie is grotendeels erfelijk bepaald

Wetenschappers hebben vastgesteld dat tweelingen die bij de geboorte van elkaar gescheiden worden, en afzonderlijk van elkaar worden opgevoed een vrijwel gelijk IQ hebben, ondanks het feit dat ze zijn opgegroeid in verschillende milieu's. Opmerkelijk is dat tweelingen die afzonderlijk van elkaar worden opgevoed net zo identiek zijn als een indentieke tweeling die samen wordt opgevoed tegen de tijd dat ze volwassen zijn. Ook tonen ze grote overeenkomsten in hun manieren, de manier waarop ze lachen, hun voorkeuren, fobieen, temperament, sexuele voorkeur, opleidingsniveau, inkomen, muzikaal talent, gevoel voor humor en eigenlijk alle andere eigenschappen die ooit zijn onderzocht. De overeenkomsten zijn zo groot dat tweelingen zelf alsook de wetenschappers zich er over blijven verbazen.

Het primaat van de genen toont zich ook in verschillende adoptie onderzoeken. Het IQ van geadopteerde kinderen toont meer overeenkomsten met dat van hun biologische ouders als met dat van hun adoptieouders, die hen feitelijk voorzien van een bepaald sociaal milieu.

De dominante rol van erfelijkheid in het bepalen van het IQ is niet alleen een theorie, het is een vastgesteld feit, het is de consensus van honderden onderzoeken die zijn uitgevoerd onder een verscheidendheid aan omstandigheden (tijd, plaats, onderzoeksmethoden). Maar het publiek is zich grotendeels onbewust van dit feit omdat links-liberale media hen constant voorhouden dat de meeste experts van mening zijn dat IQ grotendeels bepaald wordt door materiele omstandigheden. In werkelijkheid is het zo dat het leeuwendeel van onderzoekers die zich bezighouden met het testen van intelligentie ervan overtuigd zijn dat erfelijkheid de belangrijkste factor is.

2. Beschaving is afhankelijk van intelligentie

Deze uitspraak bewijst zichzelf. Leeuwen, wilde honden, bijen, chimpanzees en een scala aan andere dieren leven in sociale groepen. Ze werken op verschillende manieren samen, en toch hebben ze niets dat lijkt op een vorm van beschaving. Waarom niet? Simpelweg omdat ze niet slim genoeg zijn.
Als intelligentie daadwerkelijk afhankelijk zou zijn van een 'voedende' omgeving, dan zouden we nog steeds in grotten leven. Als mensen in primitieve omstandigheden leven, en de omgeving volledig bepalend is en genetica verwaarloosbaar is, hoe kan er dan ooit enige vooruitgang zijn geweest? Het is duidelijk dat er een aangeboren eigenschap van genie is waaruit de creatie van technologie en beschaving voorkomt.

Een goede manier om te kijken naar de relatie tussen intelligentie en beschaving biedt het onderzoek naar antieke beschavingen, er is te inventariseren wanneer ze ontstonden en wanneer ze teloor gingen. Maar een veel directere methode is te gebruiken door om ons heen te kijken, en de landen van de wereld te zien. Vandaag de dag zijn er talloze gradaties van beschaving te vinden over de hele wereld. Japan heeft een gemiddeld IQ van 104, de V.S. een gemiddeld IQ van 100. Japan is een economische grootmacht, ondanks dat het een relatief klein land is met nauwelijks natuurlijke hulpbronnen. Ook is het een vreedzaam en voorspelbaar land om in te leven. Een zak met goud die in Tokyo op een bankje in een park wordt achtergelaten zal daar waarschijnlijk wel even liggen, en de kans is groot dat na verloop van tijd iemand het aflevert bij de burgelijke autoriteiten.

Japan heeft een hoger IQ dan de V.S., Mexico heeft een lager IQ, en de subsaharaanse landen hebben het laagste IQ. Dezelfde hierarchie die we in landen aantreffen herhaalt zichzelf in de bevolking van de V.S.. Zwarte Amerikanen scoren het slechtst en zijn het minst succesvol. Het gegeven dat etnische Japanners in zowel Japan als in de V.S. vergelijkbaar scoren toont mooi aan dat het veelgehoorde bezwaar dat IQ testen cultureel bevooroodeeld zijn ten faveure van blanken onzin is.

3. Hoe hoogstaander de beschaving, hoe groter het welzijn van de bevolking

Om te zeggen dat een hoogstaander beschaving een bevolking kent met een grote mate van welzijn is axiomatisch, op dezelfde manier dat een uitspraak als "het is beter om gezond te zijn dan om ziek te zijn" dat ook is. Het is eenvoudig te zien voor iedereen dat mensen die in een land leven met een hoog beschavingspeil meer hebben van de zaken die universeel als goed worden beschouwd, en minder van die zaken die unverseel als slecht worden beschouwd. Bijvoorbeeld, ze hebben meer geld, meer plezier, beter eten, betere kleding, grotere en betere huizen, een betere opleiding, langere levensverwachting, minder pijn en ziektes, minder onzekerheden, minder misdaad en meer persoonlijke vrijheid.

Waarom zijn er enorme hoeveelheden mensen in landen met een laag beschavingpeil die hun leven riskeren om naar landen te gaan met een hoog beschavingspeil, terwijl het omgekeerde nooit gebeurd?
Economische vooruitzichten bepalen een groot deel van dit beeld. In IQ and the Wealth of Nations, van Lynn and Vanhanen (2002) is data verzameld uit 185 landen en zij vonden dat het gemiddelde IQ van een bevolking een correlatie heeft van .7% met het Bruto Nationaal Product (BNP) per hoofd van de bevolking, en dat IQ de bepalende factor is in de welvaart van een natie (een vrijemarkt economie en de aanwezigheid van natuurlijke hulpbronnen waren tweede en derde in mate van belangrijkheid).

4. Momenteel evolueren elke generatie tot een minder intelligente soort

Eeuwenlang, tot aan de vroege negentiende eeuw in Groot-Britannie en de V.S., was er een natuurlijk geboortecijfer, er werd niets in het werk gesteld om structureel aan geboortebeperking te doen. Getrouwde stellen kregen meestal veel kinderen, maar niet iedereen kon trouwen. Mannen die niet voldoende geld hadden om een familie te onderhouden bleven alleenstaand en kinderloos, en het nettoresultaat was een kleine positieve relatie tussen het geboortecijfer en intelligentie. En toen kwamen er verschillende boeken uit over anticonceptie die -uiteraard- van grotere invloed waren op het geletterde deel van de bevolking dan op de analfabeten. Condooms en pessariums werden beschikbaar, en het geboortecijfer van de midden- en hogere klasse nam af. Tegen het midden van de negentiende eeuw werd duidelijk dat goed opgeleide mensen steeds minder kinderen kregen dan de onopgeleiden.

Dit veroorzaakte enige onrust, en een aantal onderzoeken werden uitgezet in Engeland en Amerika in de vroege jaren van de twintigste eeuw. Het IQ van schoolkinderen bleek een negatieve correlatie te tonen met het aantal broers en zussen dat ze hadden, wat een bevestiging leek van negatieve vruchtbaarheid.
In 1984 gebruikte Bean & Van Court een verzameling data van de General Social Survey (GSS) om de hypothese te testen. Het bevatte een korte taalkundige test ontworpen door Thorndike om te voorzien in een ruwe beoordelingsschaal van de mentale capaciteiten. De GSS had een grote, representatieve groep Amerikaanse burgers geïnterviewd wiens reproductieve jaren tussen 1912 en 1982 vielen, hetgeen gedegen data opleverde om een overzicht te krijgen van de relatie tussen geboortecijfer en IQ voor een groot deel van de twintigste eeuw. In elk van de vijtien cohorten, die elk vijf jaar beslaan, waren de correlaties tussen de testscores en het aantal nakomelingen negatief. In 12 van de 15 gevallen was dit verschil significant (Van Court and Bean, 1985).

Het is makkelijk om snelte zien dat de voornaamste reden voor een 'dysgenische' vruchtbaarheid gelegen is in het feit dat intelligente vrouwen op een succesvollere manier gebruik maken van anticonceptie dan onintelligente vrouwen dat doen. Of vrouwen nu een hoog, gemiddeld of laag IQ hebben, over het algemeen willen zij hetzelfde aantal kinderen, en toch krijgen vrouwen met een laag IQ een groter aantal kinderen, voornamelijk door ongewenste zwangerschap.

iq

5. Tenzij we deze trend een halt toeroepen zal onze beschaving onvermijdelijk in verval raken.

Deze conclusie volgt logischerwijs uit de voorgaande vier argumenten.
Het concept 'beschaving' is abstract, maar er is een eenvoudige manier om een beeld te krijgen van wat het precies betekent als een beschaving in verval raakt: Noord-Amerikanen, Europeanen en Japanners hoeven zich slechts voorstellen dat ze hun hele leven leiden in Mexico. Mexicanen op hun beurt moeten zich slechts voorstellen dat ze hun hele leven leiden in Liberia. Dat is wat het betekent als een samenleving in verval raakt, en zelf de meest rabiate marxist zal niet beargumenteren dat dat een goede zaak is.
In 'The Bell Curve' beargumenteren Herrnstein en Murray (1994) dat alle sociale problemen worden uitvergroot als het gemiddelde IQ daalt met 3 punten, van 100 naar 97. Het aantal vrouwen dat afhankelijk is van een uitkering om in het levensonderhoud te voorzien stijgt met 15%, de gevangenisopulatie stijgt met 13% en de voortijdige uitval op middelbare scholen stijgt met 15%. Als het gemiddelde IQ daadwerkelijk met 3 punten zou dalen is dit niet langer een statistische exercitie, maar zijn het miljoenen levens van echte mensen die aan kwaliteit inboeten. Dit laat het spectrum aan de bovenkant nog onbesproken, maar denk aan alle wetenschappers, staatsmannen, ondernemers en uitvinders die nooit geboren worden om een positieve bijdrage aan onze wereld te leveren.

Egalitairisme: Politiek correct, wetenschappelijk verkeerd

Het is overduidelijk dat dygenische vruchtbaarheid een enorme bedreging vormt voor de mens. Waarom is het dan dat er absoluut niets tegen wordt gedaan? Het antwoord is simpel: egalitairisme. Egalitairisme is de overtuiging dat alle mensen zijn geboren met gelijke intellectuele capaciteiten, karaktereigenschappen, talenten en al dat men daarop nog kan aanvullen. Verschil in eigenschappen als haarkleur, huidskleur en dergelijke zal een egalitairist nog wel erkennen, om ze ook meteen als niet ter zake doende te vergeten. Maar goed, als iedereen gelijk wordt geboren, wat doet dysgenische vruchtbaarheid er dan nog toe?

Egalitairisme is een ideologie die in het Westen massaal wordt omarmt sinds het einde van de tweede wereldoorlog. En een eerste vraag die rijst voor de egalitairist is: "als we allemaal gelijk zijn geboren, hoe is het dan mogelijk dat mensen zich zo verschillend ontwikkelen?" Van verschillen tussen mensen wordt gezegd dat ze worden veroorzaakt door allerlei omgevingsfactoren, en alle problemen worden beschouwd als een gevolg van 'culturele deprivatie', 'sociale stratificatie', 'traumatische ervaringen', 'slechte levensomstandigheden', 'armoede' of de grootste schurk van allemaal: de maatschappij.

Egalitairisme is zo fundamenteel ongeloofwaardig dat het een wonder mag heten dat het door miljoenen worden geloofd. Iedereen die meer dan 1 kind heeft begrijpt dat ze verschillende personen zijn vanaf de dag dat ze geboren worden. En toch bleek uit een recente peiling in de V.S. dat minder dan 1 op de 5 mensen denkt dat genen een belangrijke rol spelen in menselijk gedrag. De meeste ondervraagden dachten dat drugsverslaving, geestelijke stoornissen en homosexualiteit voor een klein deel bepaald werden door erfelijke zaken, maar bijna 40% dacht dat genen in het geheel geen rol spelen (U.S. News and World Report, April 21, 1997, p. 72-80).

Er is geen enkel bewijs om egalitairisme te ondersteunen, en er is een hele berg bewijs die pleit tegen egalitairisme. En dit hindert egalitairisten in de media en in academia in het geheel niet, ze doen gewoon alsof studies die een verband tonen tussen de ene sociale pathologie en de andere wetenschappelijke legitimiteit hebben. Bijvoorbeeld: "kinderen die opgroeien in arme buurten worden vaker crimineel". Op basis hiervan worden inspanningen verrichten om voor betere huistvesting en grotere leefbaarheid van een buurt te zorgen, die -niet gehee verwonderlijk- geen effect hebben op het misdaadcijfer. De oplettende waarnemer ziet meteen de correlaties tussen een 'arme buurt' en een verscheidenheid aan andere sociale pathologieën. Maar een correlatie is niet hetzelfde als een causaal verband! Een haan kraait bij zonsopgang. Betekent dit dat kraaiende hanen er voor zorgen dat de zon oplkomt? Als armoede daadwerkelijk criminaliteit veroorzaakt zou het Duitsland van de jaren '20 dan niet het meest criminele land ooit moeten zijn geweest? Dat was het namelijk niet.

Programma's die uitgezet worden om sociale problemen op te lossen die gebaseerd zijn op 'egalitairisme vermomd als wetenschap' worden in eerste aanvang altijd bejubeld. Ondanks grote hoop, mooie retoriek en enorme publieke uitgaven zijn de aantoonbare effecten minimaal, van voorbijgaande aard, kunstmatig of zelfs geheel afwezig.

Bijgeloof is nutteloos

Vaak voelen we ons superieur als we lezen of horen over de onzinnige rituelen en gebruiken uit het verleden, zoals de inquisitie, heskenvervolgingen, aderlaten en andere bizarre medische gebruiken. Oude films die de vroege pogingen tot luchtvaart laten zien zijn tegenwoordig vooral humoristisch. Maar hoe weten we dat we zelf, op dit moment, ons denken niet laten beinvloeden door ongeloofelijk domme waanbeelden die ons tot de bijgelovige idioten van de toekomst maakt?

Het is niet vergezocht om te stellen dat egalitairisme het meest voorkomende bijgeloof is van de moderne westerse wereld in de twintigste en eenentwintigste eeuw. Misschien zelfs het meest voorkomende bijgeloof ooit, aangezien miljoenen zonder dat er enig bewijs voor is geloven dat dat mensen gelijk zijn. kwalificeert egalitairisme als bijgeloof?

de Dikke van Dale beschrijft bijgeloof als:
"geloof aan de bovennatuurlijke kracht van allerlei voorwerpen enz. dat geen deel uitmaakt van een traditioneel geloof"

De westerse wereld heeft kritiekloos een enorme hoeveelheid foutieve informatie over de aard van de mens geaccepteerd geaccepteerd, die leidt tot het über-bijgeloof: de mens veroorzaakt zichzelf, en al zijn nakomelingen, een enorm afzien dat niet nodig is. We besteden enorme hoeveelheden tijd, moeite en geld aan nutteloos beleid en onzinnige programma's, terwijl ons aangeboren intellect, het fundament van onze samenleving en ons welzijn, stilletjes op de achtergrond blijft to het een stille dood sterft.

Drie oorzaken voor de impopulairiteit van eugenetica

Waarom is de westerse wereld in de greep van zo'n omvattende illusie? Millenia lang accepteerden mensen het als vanzelfsprekend dat sommige mensen nu eenmaal slimmer zijn dan anderen, simpelweg omdat het uit hun handelen blijkt. Zelf in de vroege jaren van de twintigste eeuw zou egalitairisme als lachwekkende onzin worden afgedaan, en werd eugenetica breed geaccepteerd door prominente figuren uit het hele politieke spectrum. George Bernard Shaw, Charles Darwin, H.G. Wells, Francis Galton (die de term "eugenetica" bedacht), Theodore Roosevelt, Alexander Graham Bell, Charles Lindbergh en Winston Churchill onderkenden allemaal het nut van eugenetica als wetenschap die een vertaling naar de praktijk behoeft. Julian Huxley beschreef eugenetica als "de ultime uiting van altruïsme, die het meest omvattend is en het langste effect heeft". Maar vandaag de dag wordt eugenetica gezien als het summum van wreedheid. Waarom bepaalde ideeën wel of niet modieus zijn is niet altijd helemaal duidelijk. De verwerping van eugenetica heeft in ieder geval een drietal redenen:

1. Na de tweede wereldoorlog werd vrijwel alles dat ook maar deed denken aan zaken waarmee de asmogendheden zich bezighielden universeel verworpen. Hitler was een groot voorstander van eugenetica, al zijn er grote verschillen tussen zijn toepassingen en moderne wetenschappelijke inzichten (Hitler maakte bijvoorbeeld bezwaar tegen IQ testen omdat zij 'joods' zouden zijn). Genetica, gedrag en ras vervielen tot onderwerpen die niet kosher zijn. De eugenetica ontwikkelde zich eerst in Groot-Britannie en de Verenigde Staten, en naast Duitsland waren er 27 andere landen met eugenetische wetgeving in dezelfde tijdsperiode, geen van welke op grote schaal wreedheden beging op basis van die wetgeving. Men kan dus geen redelijk argument hebben inhoudende dat eugenetica genocide veroorzaakt. De communisten huldigden precies het tegenovergestelde standpunt: omgevingsfactoren bepalen alles en genetica is nietszeggend, en toch vermoordden zij miljoenen meer dan de nazi's. Hoe het ook zij, eugenetica heeft een bepaald stigma simpelweg omdat mensen het associeren met Hitler.

2. De publieke opinie in het westen wordt vooral bepaal door journalisten (die tevens grote verantwoordelijk dragen voor de onterechte associering tussen eugenetica en Hitler). Talloze onderzoeken hebben aangetoond dat journalisten veel vaker links-liberaal politieke voorkeuren hebben dan de gemiddelde burger. Onder universiteitsstudenten zijn de meest conservatieve studenten te vinden bij de economische en exacte wetenschappen, de meest links-liberale studenten zijn te vinden bij de letteren en sociale wetenschappen. Kortom, mensen die een carriere in de journalistiek ambieren zijn -om wat voor reden dan ook- veel linkser. Naast de links-liberale journalisten zijn het ook de Marxistische academici met een duidelijke politieke agenda die hebben bijgedragen aan het verspreiden van egalitaire propaganda.
Snyderman and Rothman (1988) vergeleken wat er in berichtgeving (op t.v., in kranten en tijdschriften) werd gezegd over IQ, met wat wetenschappers die onderozke doen naar IQ erover zeiden. Ze syelden vast dat de media consistent een enorm bevooroordeeld beeld schetsen over wetenschappelijke bevindingen,suggererend dat IQ niets meet dat van belang is, dat het cultureel bevooroordeeld is, en dat de meeste experts dat ook vinden. Terwijl het tegenovergestelde het geval is. Met name inzichten die betrekking hebben op ras worden door de media in het geheel niet besproken, danwel afgedaan als 'onwetenschappelijk'. Dit is niet simpel af te doen als een falen in hun plicht de feiten te benoemen, want dat zou een gevolg van laksheid kunnen zijn. De werkelijkheid is dat de media het publiek bewust voorliegen
Onderzoek van Snyderman and Rothman (1988) toont aandat de meerderheid vanwetenschappers die zich bezighouden met wetenschappelijk onderzoek naar IQ menen dat een deel van de verschillen in IQ tussen blanken en zwarten genetisch te verklaren is. Door tevens honderden berichten in de edia door te pluizen kwamen zij er ook achter dat de media doen alsof dit een racistisch waanbeeld is dat slechts door enkele zonderlingen wordt aangehangen.
Deze valse informering van het publiek over IQ, genetica en ras gebeurd als decennia lang door liberale journalisten en marxistische academici. een dergelijke leugenachtigheid verwachten we onder een communistisch regime, niet in een 'vrije' westerse maatschappij.

3. Om volledig te begrijpen waarom egalitarisme zo overheersend is en eugenetica tot taboe is geworden moet dit onderwerp worden gezien binnen een bepaalde tijdsgeest die ook andere zaken omvat als: diversiteit, multiculturalisme, positieve discriminatie, secularisering (van Christenen althans), destructief immigratiebeleid, promotie van, promiscuïteit, moreel relativisme en een heel scala aan andere zaken die vrijwel allemaal te vangen zijn onder de noemer 'politieke correctheid'. Is dit hele systeem van denken uit de lucht komen vallen? Of is er bewust op ingezet door bepaalde mensen? Als er bewust op is ingezet, waarom dan?

Als er een zwaar misdrijf is gepleegd zal een rechercheur als eerste zoeken naar een mogelijk motief, oftewel: wie heeft hier baat bij? Zo is een eerste dat we ons moeten afvragen tevens: wie heeft er baat bij deze oneerlijke en destructieve tijdsgeest?

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.